Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7564

Datum uitspraak2004-12-15
Datum gepubliceerd2004-12-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200402495/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk EMT/2004/396, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante van 22 september 2003 om met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift C.1 en de daarmee verband houdende voorschriften, verbonden aan de vergunning die bij besluit van -naar de Afdeling begrijpt:- 12 april 2000 is verleend ten behoeve van de inrichting aan de Onyxstraat 20 te Hengelo, in te trekken.


Uitspraak

200402495/1. Datum uitspraak: 15 december 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twentse Recycling Maatschappij B.V.", gevestigd te Hengelo, appellante, en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk EMT/2004/396, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante van 22 september 2003 om met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift C.1 en de daarmee verband houdende voorschriften, verbonden aan de vergunning die bij besluit van -naar de Afdeling begrijpt:- 12 april 2000 is verleend ten behoeve van de inrichting aan de Onyxstraat 20 te Hengelo, in te trekken. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2004. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij besluit van 12 april 2000 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer ten behoeve van de inrichting van appellante een vergunning verleend voor onder meer de opslag en verwerking van bouw- en sloopafval.     Bij besluit van 22 juli 2004 is ten behoeve van de inrichting een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. 2.1.1.    Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer vervangt een met toepassing van dit artikel verleende vergunning met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt. 2.1.2.    De bij het besluit van 22 juli 2004 verleende vergunning is onherroepelijk geworden. Dit heeft tot gevolg dat de bij besluit van 12 april 2000 verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften zijn komen te vervallen.    Niet valt in te zien dat appellante enig rechtens te beschermen belang heeft bij een uitspraak op haar beroep tegen de afwijzing van verweerder om de voorschriften van de inmiddels vervallen vergunning uit 2000 in te trekken. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij ondanks het bovenstaande toch waarde hecht aan een uitspraak van de bestuursrechter, is de Afdeling van oordeel, zoals zij onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 10 februari 1997, in zaak nr. H01.96.0677 (AB 1997, 387), dat van haar geen uitspraak kan worden verkregen uitsluitend vanwege de principiële betekenis van het aan haar voorgelegde punt. 2.2.    Het beroep dient vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2.3.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Hennekens    w.g. van der Zijpp Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004 262-441.